vrijdag 28 september 2018

De leerling en de meester ...

Net voor mijn 40ste jaargang maakte ik een moeilijke tijd door. Ik voelde een immense spanning, alsof ik een elastiek was die maar een klein rukje meer nodig had om helemaal en onherstelbaar te knappen. Ik voelde me een peuter die zich onheus behandeld voelde en loeihard om zich heen wou trappen. Ik sloot de peuter op en besloot om het gewoon keihard uit te zweten, en ervoor te zorgen dat de mensen om me heen geen last hadden van mijn ‘demonen’. Want ik had helemaal geen reden of excuus om me zo te voelen. Ik was de oorzaak, het probleem. Alleen ik. Alles en iedereen rond mij was perfect – gezin, familie, werk, vrienden … Maar in mij kolkte een onverklaarbare razernij.


Ik vocht maandenlang tegen de bijna onbedwingbare drang om op een bus te stappen naar het andere eind van de wereld en alles en iedereen koudweg in de steek te laten. Tegelijk wist ik: mijn demonen reizen gewoon met me mee. Ook aan de andere kant van de wereld zou de rotzooi in mij nog even rot zijn, met daar bovenop het schuldgevoel dat ik zoveel mensen teleurstel en in de steek laat. Het duurde lang, immens lang, maar heel geleidelijk aan trok de mist op en verdween die spanning. De goesting om hard om me heen te slaan en te gillen vanuit het diepste van mijn longen, trok heel langzaam aan weg. Ik dacht dat ik de demonen overwonnen had door die periode lijdzaam uit te zweten, dat ik me een weg had gebaand door het oerwoud door te zwijgen en als enige overlevende eruit was gekomen. Maar ik bleek fout ...


Ik bleek mezelf nog een stukje meer kwijt te zijn, en vooral een groot stuk van mijn luchtigheid. Vroeger was mijn ingesteldheid eerder positief: ik vertrouwde erop dat alles wel weer goed kwam. Een fundamenteel optimisme waar ik veel energie uit putte. Maar plots draaide dat compleet: ik kon niet meer genieten van leuke momenten en gebeurtenissen want ik wist dat alles weer voorbij gaat, ook het mooie, en dat ik niet kon bouwen of vertrouwen want niets of niemand blijft … Ik raakte doordrongen van en vergiftigd door de vergankelijkheid van alles en iedereen. Ik kon mezelf niet eens meer vertrouwen, want ik was nog de meest onbetrouwbare factor van al. Het leek me de prijs die ik had moeten betalen om mijn demonen in het oerwoud achter te laten ...


De jaren erna bleef de angst groot om mijn broze evenwicht weer te verliezen. Ik had ondervonden hoe lang het duurt om jezelf weer op de rails te krijgen. En het bracht ook een heel groot gevoel van eenzaamheid met zich mee want ik kon met niemand delen wat er in me omging. Ik begreep het zelf niet, ik had geen taal om onder woorden te brengen wat er in mij gebeurde. Soms voelde ik de kloof heel dichtbij gapen, met daarin de grijnzende demonen, maar dan sloot ik mijn ogen en negeerde het keihard. Hopend dat het voorbij zou gaan. Veelal deed het dat, ebde de onrust weer weg.


Laag na laag kwamen er de voorbije maanden en jaren steeds maar zaken bij waar ik niet over kon en wou praten. Omdat het te persoonlijk was. Omdat ik te gekwetst en te bang was. Omdat het anderen zou kwetsen. Omdat ik zelf nog niet in staat of bereid was om de consequenties van mijn uitgesproken gevoelens en gedachten te dragen. Mijn leven werd steeds meer schone schijn. Ik raakte steeds meer van mezelf vervreemd en verloor mijn authentieke stem en mijn persoonlijke geluid. En zo groeide de stilte en de afstand rond en in mij steeds dikker en dikker. Totdat ik plots besefte dat ik totaal alleen stond, dat ik helemaal vervreemd was van iedereen om me heen en nog het meest van al van mezelf. Ik voelde geen enkele verbinding meer, met niemand. Alsof alles in mij één grote en lege vlakte was. Het was weliswaar niet meer die kermende onrust en die jankende frustratie van ervoor. Eerder een bodemloze leegte, een alles doordringende somberte.


En pas nu besef ik: ik had mijn demonen het zwijgen niet moeten opleggen en hen niet achterlaten in het oerwoud. Ik had hen in de ogen moeten kijken en hen trotseren, niet negeren. Want die demonen zijn uiteindelijk vooral leraars.


Ooit las ik: als de leerling er klaar voor is, verschijnt de leraar. De leraars waren er al lang, maar de leerling was doof, blind en dom. Maar niet meer, nu ben ik er hopelijk klaar voor … Geen idee waar ik zal uitkomen, maar hopelijk is het in een tijd en op een plaats waar ik mijn stem en taal terug heb gevonden ...